
Chemicaliën in een laboratorium label je door op elk recipiënt duidelijk de stofnaam, gevaarsinformatie, GHS-pictogrammen, gevarenaanduidingen (H-zinnen) en veiligheidsaanbevelingen (P-zinnen) aan te brengen. Dit geldt zowel voor originele verpakkingen als voor zelfgemaakte mengsels of verdunde oplossingen. In dit artikel beantwoorden we de meest gestelde vragen over correct etiketteren van chemicaliën, van verplichte inhoud tot materiaalkeuze en veelgemaakte fouten.
Welke verplichte informatie moet op een chemicaliënlabel staan?
Een chemicaliënlabel moet minimaal de productnaam, leveranciersgegevens, gevarenpictogrammen, signaalwoorden (“Gevaar” of “Waarschuwing”), gevaarszinnen (H-zinnen), voorzorgszinnen (P-zinnen) en de hoeveelheid van de stof bevatten. Dit zijn de wettelijk verplichte elementen op grond van de Europese CLP-verordening.
Elk van deze elementen heeft een specifieke functie. De productnaam identificeert de stof eenduidig. De gevarenpictogrammen geven in één oogopslag aan welk type risico de stof met zich meebrengt. H-zinnen beschrijven de aard van het gevaar, terwijl P-zinnen concrete instructies geven voor veilig gebruik, opslag en verwijdering. Het signaalwoord geeft de ernst van het gevaar aan: “Gevaar” wijst op ernstigere risico’s dan “Waarschuwing”.
Voor originele producten van leveranciers is het etiket doorgaans al conform de regelgeving aangeleverd. De uitdaging zit hem juist in de praktijk van het laboratorium: verdunde oplossingen, mengsels en overgebrachte stoffen moeten opnieuw worden gelabeld, en dat is waar fouten het vaakst optreden.
Wat zijn de GHS-pictogrammen en wanneer gebruik je ze?
GHS-pictogrammen zijn gestandaardiseerde symbolen binnen het Globally Harmonized System of Classification and Labelling of Chemicals. Ze geven visueel aan welk type gevaar een stof vertegenwoordigt, zoals brandbaarheid, giftigheid, bijtendheid of milieugevaar. Je gebruikt ze op elk label wanneer een stof als gevaarlijk is geclassificeerd.
Er zijn negen officiële GHS-pictogrammen, elk met een eigen rood omlijnd ruitvormig kader en een zwart symbool:
- Vlam – brandbare stoffen en zelfontbrandende stoffen
- Vlam over cirkel – oxiderende stoffen
- Explosie – explosieve stoffen en mengsels
- Doodshoofd – acuut toxische stoffen (ernstige gevallen)
- Uitroepteken – lichtere gevarenklassen zoals huidirritatie of allergische reacties
- Corrosie – bijtende stoffen die metalen of huid aantasten
- Gasfles – gassen onder druk
- Milieu – stoffen die gevaarlijk zijn voor waterorganismen
- Gezondheidsgevaar – stoffen die kankerverwekkend, mutageen of reproductietoxisch zijn
Welke pictogrammen je gebruikt, hangt af van de classificatie van de stof. Die classificatie volgt uit het Veiligheidsblad (SDS) van de leverancier of, bij zelfgemaakte mengsels, uit een eigen gevarenbeoordeling op basis van de samenstellende stoffen.
Welke normen en wetgeving gelden voor laboratoriumlabels?
In Europa zijn laboratoriumlabels voor chemicaliën primair onderworpen aan de CLP-verordening (EG nr. 1272/2008), die de GHS-eisen in Europees recht omzet. Daarnaast gelden de REACH-verordening, de Arbowet en sectorspecifieke richtlijnen voor werkplekbeveiliging.
De CLP-verordening bepaalt exact welke informatie op een etiket moet staan en hoe groot pictogrammen minimaal moeten zijn in verhouding tot de verpakkingsgrootte. Voor kleine verpakkingen gelden afwijkende regels voor de minimale labelafmetingen en het aantal verplichte P-zinnen.
Naast de CLP-verordening is de REACH-verordening relevant: zij regelt de registratie en beoordeling van chemische stoffen en verplicht leveranciers tot het opstellen van veiligheidsinformatiebladen. Voor laboratoria die werken met gevaarlijke stoffen gelden bovendien de Arborichtlijnen voor blootstelling en opslag, en in specifieke sectoren zoals farmacie of voedingsmiddelen kunnen aanvullende normen van toepassing zijn.
Voor leidingen en installaties in industriële laboratoria gelden aanvullend de ISO 20560-normen voor leidingmarkering, zodat transportleidingen van gevaarlijke vloeistoffen ook buiten de recipiënten correct geïdentificeerd zijn.
Hoe label je zelfgemaakte of verdunde chemicaliën in het lab?
Zelfgemaakte mengsels en verdunde oplossingen moeten altijd opnieuw worden gelabeld alsof het nieuwe stoffen zijn. Je baseert de gevarenbeoordeling op de eigenschappen van de samenstellende stoffen en stelt een nieuw etiket op met alle verplichte CLP-elementen, inclusief concentratie en bereidingsdatum.
In de praktijk betekent dit dat je de veiligheidsbladen van alle gebruikte grondstoffen raadpleegt en op basis daarvan bepaalt welke gevarenklassen van toepassing zijn op het eindmengsel. Een verdunde oplossing kan een andere gevarenklasse hebben dan de geconcentreerde stof, maar mag nooit zonder etiket worden opgeslagen of gebruikt.
Voeg altijd de volgende informatie toe aan het label van een zelfgemaakt preparaat:
- Naam van het preparaat of een duidelijke beschrijving
- Concentratie van de werkzame stof(fen)
- Bereidingsdatum en, indien van toepassing, houdbaarheidsdatum
- Naam van de bereider of afdeling
- Van toepassing zijnde GHS-pictogrammen
- Relevante H- en P-zinnen
Tijdelijke recipiënten die binnen één werkdag worden leeggemaakt en niet onbeheerd worden achtergelaten, mogen in sommige gevallen een vereenvoudigd label dragen. Maar zodra een stof langer dan één dienst aanwezig is of wordt opgeslagen, is een volledig CLP-conform etiket verplicht.
Welke materialen zijn geschikt voor chemisch bestendige labels?
Voor chemisch bestendige labels in een laboratorium zijn polyester en vinyl de meest geschikte materialen. Deze kunststof dragers zijn bestand tegen chemicaliën, vocht, oplosmiddelen en reinigingsmiddelen, terwijl papier snel loslaat, vervaagt of wordt aangetast door laboratoriumomstandigheden.
De materiaalkeuze hangt af van de specifieke omstandigheden waaraan het label wordt blootgesteld:
- Polyester – uitstekende chemische bestendigheid, bestand tegen oplosmiddelen en agressieve reinigingsmiddelen, geschikt voor langdurige identificatie op glazen en metalen recipiënten
- Vinyl – flexibel en sterk hechtend op gebogen oppervlakken, goed bestand tegen vocht en milde chemicaliën, ideaal voor flessen en vaten
- High-tack laminaat – een extra beschermende toplaag die de bedrukking beschermt tegen chemische inwerking en mechanische slijtage
Papier wordt in industriële en laboratoriumomgevingen afgeraden voor chemicaliënlabels. Het enige zinvolle gebruik van papier is bij tijdelijke verzendlabels die niet worden blootgesteld aan chemicaliën of vocht. Voor alles wat langer dan een dag aanwezig is of in contact komt met gevaarlijke stoffen, kies je altijd voor een duurzame kunststof drager.
De adhesief (lijmlaag) is net zo belangrijk als de drager zelf. In koude omgevingen of op vochtige oppervlakken heb je een specifieke high-tack adhesief nodig om te voorkomen dat labels loslaten. Op sommige kunststof verpakkingen is een speciale adhesief vereist vanwege de lage oppervlakte-energie van het materiaal.
Hoe print je duurzame chemicaliënlabels zelf in het laboratorium?
Duurzame chemicaliënlabels print je zelf met een industriële labelprinter die compatibel is met polyester of vinyl printmedia. Combineer dit met professionele labelsoftware voor een correct opgemaakt, CLP-conform etiket dat direct klaar is voor gebruik.
De meest praktische aanpak voor laboratoria is een compacte labelprinter die op de werkplek staat en op aanvraag labels produceert. Dit elimineert de afhankelijkheid van externe drukkerijen en zorgt dat labels altijd up-to-date zijn, ook bij wijzigingen in concentraties of gevarenclassificaties.
Bij het zelf printen van chemicaliënlabels zijn er een aantal praktische aandachtspunten:
- Gebruik printlinten die chemisch bestand zijn, zodat de bedrukking niet vervaagt bij contact met oplosmiddelen
- Kies een resolutie die hoog genoeg is om GHS-pictogrammen scherp en herkenbaar te reproduceren
- Werk met labelsoftware die GHS-pictogrammen en H/P-zinnen als gestandaardiseerde elementen bevat, zodat je niet handmatig fouten kunt maken
- Sla labelsjablonen op voor veelgebruikte stoffen en preparaten om consistentie te waarborgen
- Druk labels altijd af op het juiste formaat voor de verpakking, conform de CLP-minimumafmetingen
Wat zijn de meest gemaakte fouten bij het etiketteren van chemicaliën?
De meest voorkomende fouten bij het etiketteren van chemicaliën zijn: ontbrekende of verouderde informatie op zelfgemaakte preparaten, het gebruik van papieren labels die loslaten of onleesbaar worden, en het weglaten van verplichte GHS-elementen zoals H- en P-zinnen.
Hieronder de fouten die in de praktijk het vaakst voorkomen en de grootste risico’s opleveren:
- Geen etiket op overgebrachte stoffen – Een stof die van de originele verpakking naar een ander recipiënt wordt overgebracht, verliest daarmee ook zijn etiket. Dit recipiënt moet onmiddellijk opnieuw worden gelabeld.
- Verouderde etiketten – Etiketten die niet worden bijgewerkt bij wijzigingen in samenstelling, concentratie of gevarenclassificatie zijn feitelijk onjuist en juridisch niet compliant.
- Onleesbare of beschadigde labels – Papieren of slecht bevestigde labels die loslaten, verkleuren of beschadigen door chemicaliën, maken identificatie onmogelijk en verhogen het risico op incidenten.
- Ontbrekende H- of P-zinnen – Pictogrammen alleen zijn niet voldoende; de bijbehorende gevaarszinnen en veiligheidsaanbevelingen zijn wettelijk verplicht.
- Verkeerde taal – Labels moeten in de officiële taal van het land van gebruik zijn opgesteld. Engelstalige etiketten zijn in Nederland niet automatisch toegestaan voor alle toepassingen.
- Te klein formaat – De CLP-verordening schrijft minimumafmetingen voor etiketten voor, afhankelijk van de verpakkingsgrootte. Een te klein label is niet compliant, ook al bevat het alle juiste informatie.
Hoe Rebo Systems helpt bij het correct etiketteren van chemicaliën
Wij leveren complete oplossingen voor laboratoria en industriële omgevingen die zelf duurzame, CLP-conforme chemicaliënlabels willen produceren. Of het nu gaat om eenmalige identificatie of dagelijkse labelproductie op de werkvloer, onze systemen zijn daar specifiek op ontworpen.
Wat wij bieden:
- Industriële labelprinters zoals de SMS-R1 en SMS-430/460, compact en geschikt voor gebruik op de werkplek, met ondersteuning voor polyester en vinyl printmedia
- Chemisch bestendige printmaterialen in vinyl en polyester, inclusief high-tack adhesieven voor moeilijk te beplakken oppervlakken
- NiceLabel software voor het ontwerpen en beheren van CLP-conforme labelsjablonen met gestandaardiseerde GHS-pictogrammen en gevarenzinnen
- Kant-en-klare veiligheidsoplossingen via onze GHS-etiketten voor situaties waarin zelf printen niet de voorkeur heeft
- Persoonlijk advies van onze lokale adviseurs, ondersteund door technische service zonder verplicht servicecontract
Wil je weten welk systeem het beste past bij jouw laboratoriumomgeving en labelvolume? Neem contact met ons op en we denken graag vrijblijvend met je mee.

Chemicaliën in een laboratorium label je door op elk recipiënt duidelijk de stofnaam, gevaarsinformatie, GHS-pictogrammen, gevarenaanduidingen (H-zinnen) en veiligheidsaanbevelingen (P-zinnen) aan te brengen. Dit geldt zowel voor originele verpakkingen als voor zelfgemaakte mengsels of verdunde oplossingen. In dit artikel beantwoorden we de meest gestelde vragen over correct etiketteren van chemicaliën, van verplichte inhoud tot materiaalkeuze en veelgemaakte fouten.
Welke verplichte informatie moet op een chemicaliënlabel staan?
Een chemicaliënlabel moet minimaal de productnaam, leveranciersgegevens, gevarenpictogrammen, signaalwoorden (“Gevaar” of “Waarschuwing”), gevaarszinnen (H-zinnen), voorzorgszinnen (P-zinnen) en de hoeveelheid van de stof bevatten. Dit zijn de wettelijk verplichte elementen op grond van de Europese CLP-verordening.
Elk van deze elementen heeft een specifieke functie. De productnaam identificeert de stof eenduidig. De gevarenpictogrammen geven in één oogopslag aan welk type risico de stof met zich meebrengt. H-zinnen beschrijven de aard van het gevaar, terwijl P-zinnen concrete instructies geven voor veilig gebruik, opslag en verwijdering. Het signaalwoord geeft de ernst van het gevaar aan: “Gevaar” wijst op ernstigere risico’s dan “Waarschuwing”.
Voor originele producten van leveranciers is het etiket doorgaans al conform de regelgeving aangeleverd. De uitdaging zit hem juist in de praktijk van het laboratorium: verdunde oplossingen, mengsels en overgebrachte stoffen moeten opnieuw worden gelabeld, en dat is waar fouten het vaakst optreden.
Wat zijn de GHS-pictogrammen en wanneer gebruik je ze?
GHS-pictogrammen zijn gestandaardiseerde symbolen binnen het Globally Harmonized System of Classification and Labelling of Chemicals. Ze geven visueel aan welk type gevaar een stof vertegenwoordigt, zoals brandbaarheid, giftigheid, bijtendheid of milieugevaar. Je gebruikt ze op elk label wanneer een stof als gevaarlijk is geclassificeerd.
Er zijn negen officiële GHS-pictogrammen, elk met een eigen rood omlijnd ruitvormig kader en een zwart symbool:
- Vlam – brandbare stoffen en zelfontbrandende stoffen
- Vlam over cirkel – oxiderende stoffen
- Explosie – explosieve stoffen en mengsels
- Doodshoofd – acuut toxische stoffen (ernstige gevallen)
- Uitroepteken – lichtere gevarenklassen zoals huidirritatie of allergische reacties
- Corrosie – bijtende stoffen die metalen of huid aantasten
- Gasfles – gassen onder druk
- Milieu – stoffen die gevaarlijk zijn voor waterorganismen
- Gezondheidsgevaar – stoffen die kankerverwekkend, mutageen of reproductietoxisch zijn
Welke pictogrammen je gebruikt, hangt af van de classificatie van de stof. Die classificatie volgt uit het Veiligheidsblad (SDS) van de leverancier of, bij zelfgemaakte mengsels, uit een eigen gevarenbeoordeling op basis van de samenstellende stoffen.
Welke normen en wetgeving gelden voor laboratoriumlabels?
In Europa zijn laboratoriumlabels voor chemicaliën primair onderworpen aan de CLP-verordening (EG nr. 1272/2008), die de GHS-eisen in Europees recht omzet. Daarnaast gelden de REACH-verordening, de Arbowet en sectorspecifieke richtlijnen voor werkplekbeveiliging.
De CLP-verordening bepaalt exact welke informatie op een etiket moet staan en hoe groot pictogrammen minimaal moeten zijn in verhouding tot de verpakkingsgrootte. Voor kleine verpakkingen gelden afwijkende regels voor de minimale labelafmetingen en het aantal verplichte P-zinnen.
Naast de CLP-verordening is de REACH-verordening relevant: zij regelt de registratie en beoordeling van chemische stoffen en verplicht leveranciers tot het opstellen van veiligheidsinformatiebladen. Voor laboratoria die werken met gevaarlijke stoffen gelden bovendien de Arborichtlijnen voor blootstelling en opslag, en in specifieke sectoren zoals farmacie of voedingsmiddelen kunnen aanvullende normen van toepassing zijn.
Voor leidingen en installaties in industriële laboratoria gelden aanvullend de ISO 20560-normen voor leidingmarkering, zodat transportleidingen van gevaarlijke vloeistoffen ook buiten de recipiënten correct geïdentificeerd zijn.
Hoe label je zelfgemaakte of verdunde chemicaliën in het lab?
Zelfgemaakte mengsels en verdunde oplossingen moeten altijd opnieuw worden gelabeld alsof het nieuwe stoffen zijn. Je baseert de gevarenbeoordeling op de eigenschappen van de samenstellende stoffen en stelt een nieuw etiket op met alle verplichte CLP-elementen, inclusief concentratie en bereidingsdatum.
In de praktijk betekent dit dat je de veiligheidsbladen van alle gebruikte grondstoffen raadpleegt en op basis daarvan bepaalt welke gevarenklassen van toepassing zijn op het eindmengsel. Een verdunde oplossing kan een andere gevarenklasse hebben dan de geconcentreerde stof, maar mag nooit zonder etiket worden opgeslagen of gebruikt.
Voeg altijd de volgende informatie toe aan het label van een zelfgemaakt preparaat:
- Naam van het preparaat of een duidelijke beschrijving
- Concentratie van de werkzame stof(fen)
- Bereidingsdatum en, indien van toepassing, houdbaarheidsdatum
- Naam van de bereider of afdeling
- Van toepassing zijnde GHS-pictogrammen
- Relevante H- en P-zinnen
Tijdelijke recipiënten die binnen één werkdag worden leeggemaakt en niet onbeheerd worden achtergelaten, mogen in sommige gevallen een vereenvoudigd label dragen. Maar zodra een stof langer dan één dienst aanwezig is of wordt opgeslagen, is een volledig CLP-conform etiket verplicht.
Welke materialen zijn geschikt voor chemisch bestendige labels?
Voor chemisch bestendige labels in een laboratorium zijn polyester en vinyl de meest geschikte materialen. Deze kunststof dragers zijn bestand tegen chemicaliën, vocht, oplosmiddelen en reinigingsmiddelen, terwijl papier snel loslaat, vervaagt of wordt aangetast door laboratoriumomstandigheden.
De materiaalkeuze hangt af van de specifieke omstandigheden waaraan het label wordt blootgesteld:
- Polyester – uitstekende chemische bestendigheid, bestand tegen oplosmiddelen en agressieve reinigingsmiddelen, geschikt voor langdurige identificatie op glazen en metalen recipiënten
- Vinyl – flexibel en sterk hechtend op gebogen oppervlakken, goed bestand tegen vocht en milde chemicaliën, ideaal voor flessen en vaten
- High-tack laminaat – een extra beschermende toplaag die de bedrukking beschermt tegen chemische inwerking en mechanische slijtage
Papier wordt in industriële en laboratoriumomgevingen afgeraden voor chemicaliënlabels. Het enige zinvolle gebruik van papier is bij tijdelijke verzendlabels die niet worden blootgesteld aan chemicaliën of vocht. Voor alles wat langer dan een dag aanwezig is of in contact komt met gevaarlijke stoffen, kies je altijd voor een duurzame kunststof drager.
De adhesief (lijmlaag) is net zo belangrijk als de drager zelf. In koude omgevingen of op vochtige oppervlakken heb je een specifieke high-tack adhesief nodig om te voorkomen dat labels loslaten. Op sommige kunststof verpakkingen is een speciale adhesief vereist vanwege de lage oppervlakte-energie van het materiaal.
Hoe print je duurzame chemicaliënlabels zelf in het laboratorium?
Duurzame chemicaliënlabels print je zelf met een industriële labelprinter die compatibel is met polyester of vinyl printmedia. Combineer dit met professionele labelsoftware voor een correct opgemaakt, CLP-conform etiket dat direct klaar is voor gebruik.
De meest praktische aanpak voor laboratoria is een compacte labelprinter die op de werkplek staat en op aanvraag labels produceert. Dit elimineert de afhankelijkheid van externe drukkerijen en zorgt dat labels altijd up-to-date zijn, ook bij wijzigingen in concentraties of gevarenclassificaties.
Bij het zelf printen van chemicaliënlabels zijn er een aantal praktische aandachtspunten:
- Gebruik printlinten die chemisch bestand zijn, zodat de bedrukking niet vervaagt bij contact met oplosmiddelen
- Kies een resolutie die hoog genoeg is om GHS-pictogrammen scherp en herkenbaar te reproduceren
- Werk met labelsoftware die GHS-pictogrammen en H/P-zinnen als gestandaardiseerde elementen bevat, zodat je niet handmatig fouten kunt maken
- Sla labelsjablonen op voor veelgebruikte stoffen en preparaten om consistentie te waarborgen
- Druk labels altijd af op het juiste formaat voor de verpakking, conform de CLP-minimumafmetingen
Wat zijn de meest gemaakte fouten bij het etiketteren van chemicaliën?
De meest voorkomende fouten bij het etiketteren van chemicaliën zijn: ontbrekende of verouderde informatie op zelfgemaakte preparaten, het gebruik van papieren labels die loslaten of onleesbaar worden, en het weglaten van verplichte GHS-elementen zoals H- en P-zinnen.
Hieronder de fouten die in de praktijk het vaakst voorkomen en de grootste risico’s opleveren:
- Geen etiket op overgebrachte stoffen – Een stof die van de originele verpakking naar een ander recipiënt wordt overgebracht, verliest daarmee ook zijn etiket. Dit recipiënt moet onmiddellijk opnieuw worden gelabeld.
- Verouderde etiketten – Etiketten die niet worden bijgewerkt bij wijzigingen in samenstelling, concentratie of gevarenclassificatie zijn feitelijk onjuist en juridisch niet compliant.
- Onleesbare of beschadigde labels – Papieren of slecht bevestigde labels die loslaten, verkleuren of beschadigen door chemicaliën, maken identificatie onmogelijk en verhogen het risico op incidenten.
- Ontbrekende H- of P-zinnen – Pictogrammen alleen zijn niet voldoende; de bijbehorende gevaarszinnen en veiligheidsaanbevelingen zijn wettelijk verplicht.
- Verkeerde taal – Labels moeten in de officiële taal van het land van gebruik zijn opgesteld. Engelstalige etiketten zijn in Nederland niet automatisch toegestaan voor alle toepassingen.
- Te klein formaat – De CLP-verordening schrijft minimumafmetingen voor etiketten voor, afhankelijk van de verpakkingsgrootte. Een te klein label is niet compliant, ook al bevat het alle juiste informatie.
Hoe Rebo Systems helpt bij het correct etiketteren van chemicaliën
Wij leveren complete oplossingen voor laboratoria en industriële omgevingen die zelf duurzame, CLP-conforme chemicaliënlabels willen produceren. Of het nu gaat om eenmalige identificatie of dagelijkse labelproductie op de werkvloer, onze systemen zijn daar specifiek op ontworpen.
Wat wij bieden:
- Industriële labelprinters zoals de SMS-R1 en SMS-430/460, compact en geschikt voor gebruik op de werkplek, met ondersteuning voor polyester en vinyl printmedia
- Chemisch bestendige printmaterialen in vinyl en polyester, inclusief high-tack adhesieven voor moeilijk te beplakken oppervlakken
- NiceLabel software voor het ontwerpen en beheren van CLP-conforme labelsjablonen met gestandaardiseerde GHS-pictogrammen en gevarenzinnen
- Kant-en-klare veiligheidsoplossingen via onze GHS-etiketten voor situaties waarin zelf printen niet de voorkeur heeft
- Persoonlijk advies van onze lokale adviseurs, ondersteund door technische service zonder verplicht servicecontract
Wil je weten welk systeem het beste past bij jouw laboratoriumomgeving en labelvolume? Neem contact met ons op en we denken graag vrijblijvend met je mee.





























































